Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

Column Parool

Surinaams

Naomi’s haar is drie keer zo lang als gisteren. In vlechtjes vol kralen hangt het over haar zwarte schouders. ‘Heb je een nieuwe weave?’ vraag ik plagerig als ze stipt om negen uur de docentenkamer binnenkomt. Ze glimlacht verlegen en geeft me een briefje met een telefoonnummer. Ze is op zoek naar een stage maar durft niet zo goed te bellen. Daarom hebben we een deal: zij zoekt de bedrijven en ik bel ze op.

Na drie keer overgaan, klinkt er een zakelijke, maar vriendelijke vrouwenstem. Ik stel me netjes voor en vraag of ze nog een stagiaire kan gebruiken voor haar recreatiebedrijf in Amsterdam Oost.

‘Jazeker!’ zegt de vrouw. Opgelucht steek ik mijn duim op naar Naomi, die acuut begint te glunderen.

‘Maar even een ding…’ zegt de vrouw ‘Het is toch wel een Nederlandse, he?’

‘…’

‘Ja want we discrimineren hier niet, maar de laatste vier stagiaires waren allemaal buitenlanders, en dat was dus he-le-maal niks.’

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Verbijsterd zit ik daar met de hoorn in de hand. Ik kijk naar mijn leerling, die op een grote bureaustoel is gaan zitten – haar tas zoals altijd op haar schoot, want de grond vindt ze vies.

‘Ja, ze is in Nederland geboren…’ sputter ik. En terwijl ik het zeg voel ik de ogen van Naomi op me gericht. Met een knoop in mijn maag voeg ik er maar snel wat lukrake feiten aan toe: ‘Ze is achttien jaar oud… Tweedejaars student…’ Ik rond het gesprek zo snel mogelijk af, en geef haar het mailadres van de vrouw.

Zodra ze weg is naar het computerlokaal, zak ik met een diepe zucht in mijn stoel. Ik voel een enorme woede opkomen als ik mijn collega vertel wat er zojuist is gebeurd. ‘Dat mag ze toch niet vragen?!’ roep ik uit. Mijn collega laat me uitrazen. Ze is het hartgrondig met me eens, maar zegt ook: ‘Ik zou die vrouw nog wel even bellen.’

‘Huh?’

‘Anders voelt ze zich voorgelogen zodra ze Naomi ziet, en dan maakt dat kind helemaal geen kans…’

Ik grom. Ik zucht. En met ongelooflijke tegenzin pak ik de telefoon. ‘Surinaams?’ zegt de vrouw ‘Ja dat bedoel ik dus! Want de vorige Surinamers die ik had, kwamen zelfs na vier maanden nog twee uur te laat. En dan sta ik hier met twintig gasten aan mijn balie…’

Ondanks mijn woede en weerzin, kan ik de vrouw een beetje begrijpen. Dat soort Surinamers hebben wij ook op school, die al-tijd onverbeterlijk u-ren te laat komen. Ik verzeker haar, naar waarheid, dat Naomi juist heel punctueel is.

‘Okay,’ zegt de vrouw. ‘Ze krijgt een kans. Ik zeg al: ‘Wij discrimineren niet.’

‘Nee,’ zeg ik droog ‘Da’s fijn.’

Verschenen op 27-06-2013 in het Parool
Meer