Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

A-boom! in de pers

Interview in tijdschrift IS, maart 2009

Zijn horizon bestond uit een koe, een weiland en een bowlingcentrum. Een nogal beperkt wereldbeeld, vond de 18-jarige Johan Goossens. Daarom besloot hij een verschil te gaan maken - hij had altijd al iets ‘nuttigs’ willen doen. En waar kan dat beter dan in arm Afrika, dacht hij. Dus toog Goossens samen met een handjevol andere vrijwilligers naar Ghana om les te gaan geven in het dorpje met de raadselachtige naam Akoetsiaboom. Hij schreef er een wekelijkse column over in Trouw. Een hoop ervaring rijker en wat illusies armer keerde hij een half jaar later huiswaarts. Na een studie Nederlands en een opleiding aan de kleinkunstacademie in Den Bosch waren zijn Afrika-ervaringen voldoende gerijpt om te verwerken in een voorstelling. Het winnen van de jury- publieks- en persoonlijkheidsprijs op het Groninger studenten cabaretfestival in 2006 plaveide voor hem de weg: het bood hem de kans met zijn eerste avondvullende theatervoorstelling, A-boom!, door het land te trekken. Rode draad van de voorstelling is zijn avontuur in Afrika, doorspekt met zijweggetjes als een verhaal over een demente oma, stoppen met roken en homoseksualiteit.

Wat waren je ideeën over ontwikkelingswerk vóór je naar Ghana ging?

‘Ik wist dat ik de wereld niet zou verbeteren in een half jaar, maar had toch wel het idee iets te kunnen bijdragen. Dat bleek anders uit te pakken. Er was geen lesmateriaal op het schooltje, geen programma. Ik moest de kinderen slaan met een stok, daar drongen de ouders erg op aan. Daar gaat mijn programma over: dat je iets goeds probeert te doen en hoe dat dan helemaal verkeerd uitpakt. Wilde ik kinderen gaan helpen in Afrika, stond ik ze te slaan. Zo had ik het me natuurlijk niet voorgesteld.’

Wat was je grootste desillusie?

‘De Ghanese leraar van de school sloeg veel vaker en harder dan ik, en vroeg dan aan een paar jongens uit mijn klas om de slachtoffers aan handen en voeten vast te houden op een bankje. En ik zag dat die jongens daar echt plezier aan hadden, leedvermaak. (Een paar jongens op het schooltje waar ik lesgaf vonden het altijd geweldig om de kinderen die werden geslagen vast te mogen houden.) Toen schoot op een gegeven moment door me heen: probeer ik hier de wereld een beetje beter te maken, hebben zij er plezier in elkaar af te rossen. Ik realiseerde me dat je als hulpverlener verwacht dat de hulpbehoevende een goed mens is. En dat is een heel rare eis. Maar het verklaart wel waarom mensen die al heel lang ontwikkelingswerk doen soms zo cynisch en teleurgesteld zijn. Dat ze roepen: die mensen wíllen ook niet geholpen worden. Ik vind dat je als hulpverlener goed moet onthouden dat jij naar hen toe bent gekomen. Het was jouw idee. Dus als je heel graag hulp wilt verlenen dan moet je goed in de gaten houden wat je motieven zijn. Als je dankbaarheid verwacht dan zit je verkeerd.’

Ontwikkelingssamenwerking ligt onder vuur in Nederland. Discussies over het nut van hulp hoog op en er wordt gepleit voor een halvering van de hulp. Ook jij zei in een interview dat mensen in Afrika ‘aartslui’ worden van hulp. Kun je dat uitleggen?

 

 ‘Ik sta daar heel dubbel in. Aan de ene kant denk ik dat je nuttige dingen kunt doen met ontwikkelingswerk. Er zijn mensen die zich druk maken over de vraag of dat geld wel op de goede plek komt, daar gaat het mij niet om, dat vind ik zulke kruideniersvragen. Maar ik denk soms ook: stop al die hulp. Wat wij per dag aan ontwikkelingshulp betalen is slechts een fractie wat zij aan schuldaflossing aan ons betalen. Dus ontwikkelingswerk is niet meer dan een zoethoudertje. En ik ben wel nieuwsgierig naar wat er gebeurt wanneer je al die hulp stopt. Misschien komt er dan een soort revolutie op gang omdat ontwikkelingslanden landen zich in de steek gelaten voelen. Maar we laten ze nu ook al in de steek, het lijkt alleen of we ze helpen.’

Hoe zag je dat gebeuren in Ghana?

‘Het dorpje kreeg al vijftig jaar buitenlandse hulp: een toiletgebouw van de EU, een wateropslagplaats van een kerk en een pomp van een of andere rijke Amerikaan. Al die dingen zijn nu kapot en iedereen zit te wachten op nieuwe hulp. Ik ben nu een schooltje aan het bouwen daar. Maar ik denk eigenlijk dat die mensen er veel meer aan hebben wanneer ze leren hoe ze hun land een beetje goed kunnen bebouwen.’

Waarom geef je zelf wel nog hulp als je denkt dat het eigenlijk weinig helpt?

‘Ik denk: óf we moeten allemaal weg daar, maar dat kan ik natuurlijk niet voor elkaar krijgen. Dus dan kies ik ervoor om iets te doen zonder al te veel schade aan te richten.’

Noem eens een voorbeeld van zo’n schadelijk project.

Plan International had twee dorpen verderop een school gebouwd. (Onze school bestond uit een afdakje een bamboeschutting.Maar dat schooltje was van steen en had lokalen, er was een speeltuintje met vijf schommels, drie glijbanen, wipwaps – allemaal dure speelapparaten. Voor Nederlands begrippen heel normaal, maar in die contreien is dat een hysterisch chique school. Reden is dat organisaties hun geld kwijt moeten en het is makkelijker om dat in één project te investeren. Dat vind ik dan echt zonde van het geld.’

In Ghana overleed er een jongetje onder jouw ogen, je probeerde hem, tevergeefs, te reanimeren. Je vat  je ervaring in de voorstelling samen door te besluiten dat je horizon ná Ghana bestaat uit ‘een weiland, een koe en een dood kind’. Kun je uitleggen wat je daarmee bedoelt?

 

‘Dat is deels relativerend bedoeld: je denkt dat je je horizon gaat verbreden, maar om nou te zeggen dat je na een half jaar Ghana een kosmopoliet bent gaat wat ver. Maar dat jongetje ligt daar nu wel, het is een herinnering die zo nu en dan weer terugkomt. Toen hij overleed was het eerste wat ik dacht: dit ga ik dat niet in Nederland vertellen. Ik was inmiddels lang genoeg in Afrika om te kunnen denken: o, het is maar een kind. Als een kind doodgaat is dat niet zo belangrijk, zeiden ze altijd in mijn dorp. In Nederland is dat iets heel groots. Dus ik besloot om het op z’n Afrikaans te verwerken. Dat lukte natuurlijk niet.’

Toen ik terug kwam uit Afrika overleed mijn opa, en ik kon me echt ergeren aan hoe tragisch iedereen dat vond. Die zweem van onrechtvaardigheid die hier aan de dood vast zit. Alsof het iets onnatuurlijks is. Dat is het lastige aan zo’n heftige ervaring, dat je die met het gewone leven gaat vergelijken. Bovendien woonde ik naast een speeltuintje, en iedere keer als een kind zich verslikte, zat ik weer te trillen op mijn benen, met mijn mobiel in de hand om 112 te bellen.

Uiteindelijk heb ik het verwerkt door het in mijn programma te stoppen. Dat helpt, omdat het dan een iets moois heeft opgeleverd. Bovendien wordt het dan behapbaarder, alleen al omdat je tegen je regisseur dingen kunt zeggen als: ‘Moet dit liedje nou voor of na het dooie jongetje?’

Waar staat dat dode jongetje voor?

‘Ik weet niet precies waar het voor staat. Dat ik al die kinderen weer achter moest laten misschien. Dat gaf me ook zo’n gevoel van machteloosheid. En het beeld van dat jongetje staat in schril contrast met het begin: holadiee, we gaan ontwikkelingswerk doen, en voor je het weet sta je met een dood kind in je hand.’

In de laatste scène van de voorstelling noem je alle namen van de kinderen in je klasje, hen had je ook nog willen helpen. Wat wil je daarmee zeggen?

‘Als ik die namen noem zijn ze even gezien, ze hebben even op het podium gestaan. Er was Anthony Yamoah, die was altijd zo trots op zijn gymschoenen, Enerstinah Acquah, het dametje uit de klas. Dat vind ik het mooie aan theater: dat alles wat in het dagelijks leven niet tot zijn recht komt, op het podium tot leven kan worden gebracht. Dat kunnen hongerige kinderen uit Afrika zijn, maar ook iemand die op kantoor werkt. Iemand laten zien, ik denk dat daarin mijn betrokkenheid zit.’

Wat is volgens jou de zin van theater maken?

‘Dat ik mensen kan ontroeren, wanneer ik ze iets vertel over de kinderen uit mijn klasje in Ghana bijvoorbeeld. Dat vind ik nuttig om te doen. Ik verbeter de wereld niet feitelijk, maar ik zorg er misschien voor dat er een vlammetje blijft branden. Ik verwacht niet dat mensen naar huis gaan en meteen geld overmaken naar Afrika, maar het is wel mooi dat ze even die kinderen in hun hoofd hebben gehad, of dat ze een beeld hebben van zo’n klasje.’

Veel cabaretiers laten zich drijven door woede of verontwaardiging in hun voorstelling. Welke emotie is jouw drijfveer?

‘Verbazing denk ik. Woede speelt niet echt een rol in mijn voorstelling. Daar zit een risico in, in die woede. Hoor je weer iemand die zich boos maakt omdat we te rijk zijn in Nederland. Dat doet me niks. Het is zo’n cliché. En waar ben je daar dan precies zo boos over? Ik denk bovendien niet dat je mensen je boosheid door hun strot moet duwen. Áls je boos bent, dan moet je dat niet letterlijk zeggen, maar het op een subtielere manier in je voorstelling verwerken.’

Hoe zie jij je eigen generatie, de twintigers en de dertigers?

‘We weten zoveel aan de ene kant, maar tegelijkertijd is het moeilijk om te weten wat goed is. Goed doen is lang niet altijd goed. Kijk naar mij: ik bouw dat schooltje maar vraag me tegelijkertijd af of ik dat wel moet doen, of ik daar niet meer kwaad dan goed mee doe. Het zou toch fijn zijn wanneer ik gewoon kon denken: ik bouw een school en daar zijn de mensen blij mee. Het is moeilijk om nog idealen te hebben in deze tijd. Bovendien sta je vaak ook letterlijk machteloos. Bush komt aan de macht en acht jaar later staat de hele wereld aan de afgrond. Daar kun je als individu niks tegen doen.’

Wat is de volgens jou een goede levenshouding?

‘Waar het om gaat is dat je je verantwoordelijk voelt voor de dingen die in jouw tijd gebeuren. Dat was ook één van de redenen dat ik naar Afrika ging: ik had als kind geleerd dat er kinderen op de wereld waren die honger hadden en ik vond dat ik daar niet aan voorbij kon gaan. Dat heb ik ook met andere dingen. Neem die Schipholbrand waarbij elf mensen omkwamen. Daar heb ik echt last van omdat het gebeurt in mijn land, in mijn tijd. Als je getuige bent, ben je ook verantwoordelijk. Daarom zal ik altijd iets blijven doen, waarschijnlijk middels theater maken.’

Geen ontwikkelingswerk meer?

‘Nee. Vooral omdat ik de relatie met de mensen die ik help niet leuk vind. Ging ik pennen uitdelen aan mijn leerlingen in Ghana, stond op een gegeven moment het hele dorp op de stoep voor een pen. Die Sinterklaasfunctie was ik op een gegeven moment zo zat. Een ander voorbeeld: er was een jongetje dat ik graag eten wilde geven. Maar ik wilde niet dat hij wist dat ik dat eten had gegeven, want dan zou onze relatie veranderen. Ik wilde eigenlijk überhaupt niet dat hij wist dat hij dat eten gekregen had, want dan moest hij dankbaar zijn. Ik wilde gewoon dat hij te eten te kreeg. Punt.’

Interview | Internationale Samenwerking | 20-03-2009
Meer in de pers