Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

Column Parool

Gezinnetje

Los Angeles kondigde deze week de noodtoestand af om de vele tienduizenden daklozen die er op straat leven. Toen ik het las moest ik denken aan de keer dat ik door een winkelstraat in downtown LA wandelde en per ongeluk op een verkeerde plek linksaf sloeg.

  Ik kwam terecht in een achterafstraat waar de passanten met iedere stap verwilderder uit hun ogen keken. Hun kleren en haren waren vuil en ze stonden midden op de stoep zonder aan de kant te gaan. Ik frommelde mijn Lonely Planet weg, maar durfde ook niet om te keren, bang om nog meer op te vallen. Met elke stap werd ik me bewuster van mijn toeristische korte broek en witte huid. 

   Ik kwam terecht in wat later een wachtrij bleek voor een gaarkeuken. Vele woonblokken lang zagen de stoepen letterlijk zwart van de mensen. Als in een film liep ik er langs. Honderden en honderden mensen die op een smalle reep beton zaten, om vier uur ’s middags in de blakende zon, met een vanzelfsprekendheid alsof ze er woonden. Het voelde alsof ik door hun huis liep.

   Het was een van de schokkendste dingen die ik ooit heb gezien, en toch voelde ik eerder vervreemding dan medelijden. 

   Totdat ik een gezinnetje zag. Vader, moeder en twee dochtertjes van een jaar of tien. De moeder zat op een oranje stoel die tot een set met eettafel moet hebben behoord. De vader zat op twee koffers - een bizar bezit in een omgeving waar niemand meer had dan de kleren aan zijn lijf. De dochtertjes stonden er bij in nette jurkjes. Aan hun grote, bange ogen kon ik zien dat dit allemaal nieuw voor ze was. Dat ze gisteren waarschijnlijk nog gewoon ergens woonden.

   En ineens kon ik me voorstellen dat ik daar zat met mijn ouders. Hoe het zou zijn als wij ooit ons vrijstaande huis hadden moeten verruilen voor stoeptegels en urinelucht. Ik zag mijn broze moeder op onze enige geredde stoel op een betonnen stoep zitten. Mijn paniekerige vader vechtend voor ons schamele bezit. 

   Toen kwam het medelijden. 

   Niet omdat dit de zieligste mensen waren van het blok, maar omdat ik me met ze kon identificeren. De vervuilde mannen met dik, klonterig haar waren te vreemd voor me. Ik weet niet hoe het is om enkel met een vieze, gescheurde broek op straat te zitten. Maar dit gezinnetje had koffers, een stoel en vrolijke jurkjes. Mensen die tot voor kort tot mijn wereld behoorden - de wonenden.

  Al zouden ze binnen een week die stoel wel kwijt zijn. Niet veel later zouden ook die koffers eraan gaan. Een paar maanden later zouden ze vet haar hebben met dikke klonters. En zou ik bij hun aanblik waarschijnlijk vervreemd opkijken. Misschien zelfs met een zweem van walging.

Verschenen op 30-09-2015 in het Parool
Meer