Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

Column Parool

Ouders

Mijn ouders komen mijn nieuwe huisje bekijken en ik heb nog geen plinten. Ik woon hier inmiddels al twee maanden en heb de ouwelui tot nu toe vakkundig afgehouden. Ik wil eigenlijk niet dat ze al komen. Er staan nog dozen, het halletje moet nog geschilderd en midden op het tapijt zit een vlek. Mijn ouders gaan dit allemaal zien. En hier iets van zeggen.

Mijn familie is namelijk nogal kritisch. Niet uit kwade motieven, integendeel.Het is de manier waarop wij genegenheid tonen – door het geven van bemoeizuchtig commentaar. ‘Daar had je ook berkenlatjes voor kunnen kopen,’ is onze variant van ‘leuke vloer’.

Mijn broers hebben het ook. Die staan me na een optreden grijnzend op te wachten om te memoreren wat er eventueel niet goed ging. ‘Je dacht zeker dat ze daar harder zouden lachen, he?!’ klinkt het dan. Ze zijn directe afstammelingen van mijn moeder die na mijn allereerste optreden (ik was veertien jaar) enkel zei: ‘Ik vond niet alle grapjes even goed.’ En mijn vader die nog altijd na een staande ovatie kan zeggen: ‘Nou, dat publiek had er zin in, zeg. Daar bof je maar mee.’

Nee, we zijn niet van de bevestigende tak. Maar we proberen wel te veranderen en soms maakt mijn moeder nu complimentjes, waarna het gesprek geschrokken stilvalt. Zelf oefen ik ook, maar kan nog steeds niets positiefs zeggen zonder een toon of een zweem van cynisme in mijn stem. Als ik een complimentje maak, geloven mensen me vaak niet. Of ze kijken me beledigd aan.

Terwijl ik de slaapkamer stofzuig, bedenk ik de bezwaren die mijn moeder tegen mijn woning kan hebben. Het is klein. Het is gehorig. (Dit is ook zo: je hoort de bovenburen de hele dag lopen, praten, eieren klutsen. En zij worden wakker van mijn wekker ’s ochtends.) Ik bedenk me hoe mijn vader kritisch door de woning loopt, kloppend op muren en pulkend aan slecht gekitte randjes. En terwijl mijn hoofd zich al stofzuigend vult met potentiële kritiek, mompel ik verbeten van me af: ‘Dan vinden ze het maar niet leuk.. Ik ben dertig…’

Ik schrik van de bel en doe de stofzuiger uit. Door het geribbelde glas van de voordeur zie ik de rode jas van mijn moeder en iets wat lijkt op een enorme plant. Voor het eerst besef ik me dat het ook weleens mee kan vallen. ‘Wat een leuke buurt!’ roepen ze in koor als ik de deur open doe. Wat volgt zijn tien minuten met louter complimenten: ‘Prachtige tuin!’ ‘Heerlijke keuken!’ Van de weeromstuit wijs ik uiteindelijk zelf maar naar de vloerbedekking : ‘Alleen wel jammer van die vlek…’ begin ik. Maar mijn moeder wil er niks van horen: ‘Joh, zegt ze ‘Dan zet je daar toch gewoon die plant op?’

Verschenen op 29-08-2013 in het Parool
Meer