Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

Column

Vluchteling II: Rugzak

Pffff nou… Ik heb de vluchteling op de trein gezet naar Ter Apel. En hoewel mijn ontmoeting zeer kort was, was het niettemin heftig. Hij was voorbeeldig hoor, viel als een blok in slaap op de bank en toen ik ’s ochtends wakker werd waren al mijn spullen er gewoon nog (ik had mijn laptop natuurlijk wel meegenomen naar de slaapkamer voor het geval dat) en hij zat op de bank te skypen, met voor het eerst een glimlach op zijn gezicht.

Ik was niet van plan om veel vragen te stellen, maar bij het ontbijt begon hij zelf over zijn vluchtverhaal. Ik zal het niet opschrijven want ik heb misschien niet alles goed verstaan. Maar het ging over bootjes, over slapen in bossen, over slavenarbeid en over dat hij al nachten niet had geslapen en al maanden geen dak meer boven zijn hoofd had gehad. ‘Ik heb geluk gehad,’ herhaalde hij telkens, terwijl de tranen over zijn wangen stroomden ’Ik heb heel veel geluk gehad.’

Ik overwoog hem bij het station af te zetten en mijn bemoeienis daar verder bij te laten. Zoals ik gisteravond ook telkens een goed moment had gezocht om mijn handen er vanaf te trekken. Dat had ik ook zeker gedaan als hij Engels had gesproken, een iets dikkere jas had gehad, een telefoon had gehad die werkte of als hij niet zo bang was geweest voor de politie.

Door zijn angst besloot ik ook nu weer een stukje met hem mee te gaan. Ik verzekerde dat de Nederlandse politie heel aardig is en daar gingen we. Maar toen we eenmaal de politiepost op Centraal binnenliepen en ik de deur achter ons in het slot hoorde vallen, kreeg ik het zelf eerlijk gezegd ook benauwd. De man van de nachtdienst had heel luchtig gedaan over een treinkaartje dat klaar zou liggen, maar de man van de dagdienst was anders. Hij vroeg om papieren, en toen de jongen niks bleek te hebben, leek zijn toon te veranderen. Hij sommeerde hem zijn rugzak te openen en hierop keek de jongen naar mij. Hij had me vlak voor vertrek nog gesmeekt of hij zijn tas bij mij thuis kon laten, omdat hij als de dood was dat ze dit van hem af zouden pakken. Ik had gezegd dat hij daar helemaal geen angst voor hoefde te hebben, maar nu stond ik erbij terwijl hij zijn rugzak moest overdragen aan de agent, voelde ik me schuldig. Ik zag hoe zijn hele gezicht verstarde en hij had ineens weer dezelfde doodse uitdrukking als die hij gisteravond had gehad toen ik hem was tegengekomen. Het had ervoor gezorgd dat ik zijn verhaal in eerste instantie wantrouwde. Ik was tegen hem aangebotst bij het verlaten van een club. Hij probeerde zijn verhaal in het Frans tegen het personeel te vertellen, maar niemand begreep hem en hij had alleen een klein, Spaans woordenboekje bij zich. Voor ik het wist was ik aan het vertalen, en voor ik het wist stond ik alleen met hem (het personeel had wel wat beters te doen) en stond ik te googlen naar ‘asiel aanvragen’. Hij zei dat hij homo was en daarom gevlucht. Na aankomst op Centraal was hij maar wat gaan lopen tot hij een regenboogvlag zag. Ik vond het een beetje een gek verhaal, en die blik stelde me ook niet gerust. Maar goed, hoe zou ik uit mijn ogen kijken als ik op de vlucht was helemaal aan de andere kant van de wereld op mijn 21e? En bovendien, ergens deed die blik me ook aan iemand denken: Kweku Jaawkwa, een jongen uit mijn Ghanese dorp die gehandicapt was en daarom door iedereen veelvuldig werd geslagen. Gehandicapten hebben volgens veel Afrikanen de duivel in zich, net als homoseksuelen, en ze krijgen vaak dezelfde behandeling. Het kon heel goed de afgestompte blik zijn van jarenlange angst en diep wantrouwen.

Nog even los van alle stress en angst van het vluchtelingleven. ’s Ochtends bij de politie voelde ik hoe doodeng dat kan zijn. Terwijl het niet eens mijn tas was die werd onderzocht, stond ik ook zwaar te ademen. Was ik naïef hem meegenomen te hebben naar de politie? Wat als ze hem straks in de boeien sloegen? En wat als er iets raars in die tas zat? De tas werd twee keer omgekeerd en het enige wat erin zat waren een broek, een trui en wat T-shirts. Langzaam werd het me duidelijk dat hij juist zo bang was om dit te verliezen: zijn kleren, zijn hele bezit. De politieagent deed zijn werk prima verder hoor en kwam uiteindelijk over de brug met een treinkaartje en een A4’tje met de route naar Ter Apel. Ik bedankte hem, maar de jongen reageerde amper en hield zijn strakke gezicht. Zelfs toen we de politiepost uitliepen en ik hem naar het juiste perron bracht. Waarschijnlijk was hij in zijn hoofd al bezig met de volgende stop: Ter Apel. Drie uur met de trein naar een uithoek en maar hopen dat daar een bed voor je is. En dat je daar niet gepest en geslagen wordt om je geaardheid. En dat je je kleren mag houden. Ik hoop het allemaal van harte. En dan heb ik het er nog niet eens over of hij ooit asiel zal krijgen. Of over hoe ontelbaar veel van dit soort verhalen er zijn... 

Verschenen op 29-01-2018 in
Meer