Cookies

Deze website maakt gebruik van cookies. Anonieme analytische cookies om het gedrag van bezoekers na te gaan en de website aan de hand van deze gegevens te verbeteren. Daarnaast worden ook marketing cookies gebruikt door derden om gepersonaliseerde advertenties te tonen. Ook wordt er gebruik gemaakt van deze cookies om integratie met social media mogelijk te maken. Denk aan video's op Youtube of functionaliteiten van Facebook.

Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC.


menu

Column Parool

Krulletjesmeneer

Als ik terugkom van de Albert Heijn zitten er twee kleuters op mijn stoep. ‘He krulletjesmeneer!’ roepen ze. Het zijn Ronnie (van 5) en zusje Saar (bijna 4) - twee vrolijke buurkinderen die altijd willen dat ik mee kom spelen. Het resulteert er meestal in dat ik een halve minuut een tak vast hou of aandachtig luister naar een onsamenhangend verhaal over een steen.

Maar vandaag vervelen ze zich. Ze hebben geen tak, geen steen. Ze turen in mijn boodschappentas en na twee vragen over een aubergine, zeg ik maar: ‘Nu ga ik naar binnen.’ Ze kijken me teleurgesteld aan. Dan heeft Ronnie een idee: ‘Mogen we mee?’ vraagt hij blij.

‘Ja!’ zegt het Saar, ‘Mogen we binnen mee?!’

Ik schrik. Wat moet ik hierop zeggen? Normaal ben ik overal voor in – als ze ‘poef-poef’ roepen, ben ik zo’n goedzak die kreunend ineen zakt en al zijn boodschappen theatraal over straat laat rollen. Maar twee kinderen van onder de zes je huis inlaten? Ik woon hier nog maar net. Ik hoor ze al bij het avondeten roepen: ‘De krulletjesmeneer heeft een hele grote slaapkamer!’

Ik zucht en denk aan laatst, toen ik in een koffietent zat. Vanuit het niets verscheen een schattig hoofdje achter mijn kopje latte. Een meisje van amper drie keek me guitig aan, haar kin op mijn tafelblad. ‘Dag meisje,’ zei ik maar. En toen ze stil bleef: ‘Wat heb jij mooie zwarte krullen!’ Ik had het nauwelijks gezegd of een grote schim dook achter haar op. Een boze man trok haar ruw weg. In zijn ogen las ik: viespeuk.

Of onlangs, in het Drents museum. Stond een vrouw me kwaad aan te kijken toen ik de mannen-wc in wilde lopen. Pas toen ik binnen was begreep ik het. Daar, helemaal aan het eind van de rij urinoirs stond een jochie, waarschijnlijk haar zoontje, in zijn eentje te ploeteren met zijn gulp. Ik realiseerde me dat de vrouw me had herkend als potentiële pedofiel. Ik heb immers alle kenmerken: ik ben een man.

Of ben ik paranoïde? Is het verbeelding dat ik de overblijfmoeders een korte risicoanalyse zie maken als ik langs een basisschool loop? Ben ik de enige die onderhand geen bal terug durft te schoppen naar een groepje F’jes?

Mijn buurkinderen wachten op antwoord. Uiteindelijk zeg ik: ‘Tuurlijk mag je mijn huis zien. Maar doe dat maar een keertje met je vader of je moeder erbij, oké?’ Ze kijken me beteuterd aan, maar er is niets wat ik kan doen. Een snoepje geven als troost is helemaal uit den boze. Dat mocht in mijn tijd al niet. En dan zijn ze tegenwoordig ook nog allemaal allergisch.

Verschenen op 18-07-2013 in het Parool
Meer