Johan Goossens

Cabaretier - schrijver

Johan Goossens is cabaretier en schrijver. Hij publiceerde twee columnbundels, onder andere over zijn werk op een ROC. 


menu

Column Parool

Deksel

Ik blijf mezelf wél een Nederlander noemen. Nogal wiedes misschien, maar er zijn ook tijden geweest dat ik mezelf een wereldburger vond. 

   Tot ik de daad bij het woord voegde en in Ghana ging wonen. Ik zat in een klein dorpje met twee Nederlandse meisjes: Lotte en Janna. 

   ‚Zou jij hier permanent kunnen wonen?’ vroegen we elkaar na een paar maanden. We zaten rond ons gaslampje, de luidruchtige krekels klonken in de donkere nacht en wij dachten na. 

‚Nee,’ zeiden we alledrie uiteindelijk. 

‚Waarom niet?’

‚Omdat je hier altijd een blanke blijft,’ zei Lotte.

   En zo was het. Aan gebrek aan luxe (lees: elektriciteit) kun je wennen, maar aan wezenlijk anders zijn en daar telkens op gewezen worden, eigenlijk niet. Zeker als je dagelijks moeite doet erbij te horen - de taal te leren, gebruiken te begrijpen, een relatie aan te gaan met de mensen om je heen.

  Nou is Ghana ook wel een land waar niet zoiets bestaat als politieke correctheid. Als je daar met je witte armen over straat loopt, word je van alle kanten nageroepen. ‚He! Obruni!’ roepen wildvreemden ‚Blanke!!!’ Normaal over straat lopen is er niet bij. ‚Witte man, geef me geld,’ roepen ze. Of: ‚Marry me!’ 

   Dit is als toerist misschien eventjes grappig, maar niet als je ergens inmiddels woont en werkt. Al noemden ze me in mijn eigen dorpje natuurlijk geen blanke. De kinderen die ik lesgaf op het schooltje natuurlijk ook niet. 

   Slechts één keer. Toen we in het oerwoud waren om palmbladeren te snijden en samen te vouwen tot een soort dakpan. Toen ik dat niet bleek te kunnen, keken ze mij verbijsterd aan. ‚Kun je het niet?’ lachten ze. ‚Hahaha! Obroeni! Blanke!’ Wat was ik nou voor leraar, ik kon niet eens palmbladeren vouwen!

   Minder grappig was het als je witte huid in de weg zat bij wezenlijke contacten. Als je net begon te geloven dat je er een goede vriend bij had, of een leuke collega waar je op gelijke voet mee kon praten. En dat uiteindelijk ook híj om je geld begon te vragen. Of je schoenen. 

   Dit waren de pijnlijkste momenten - als je net even het gevoel had er gewoon bij te horen. 

   Hier moest ik aan denken toen ik het stuk las in de Volkskrant van de teleurgestelde, boze Nadia Ezzeroili. 

   Hoe meer moeite je doet om te integreren, hoe pijnlijker het wordt om dat deksel op je neus te krijgen. Om te beseffen: ik word er nooit een van jullie. Dat thema is universeel, vrees ik, al is het natuurlijk oneindig veel schrijnender en ook enigszins schandalig als dit je overkomt in het land waar je geboren bent. 

Verschenen op 07-02-2016 in het Parool
Meer